Windfoiler die op een hydrofoil boven het water vliegt

Windfoil

Windsurfen op een hydrofoil: dezelfde sport, maar dan vliegend

Windfoilen is windsurfen boven het water

Bij 8 tot 10 knopen wind vaart een windfoil al op volle windsurfsnelheid. Daar zit de aantrekkingskracht van de sport. Op meren in het binnenland en in beschutte baaien komt de wind zelden zo stevig door als aan een open kust, en juist daar is een windfoil op zijn sterkst.

In wezen is een windfoil een hydrofoil onder een windsurfboard. Alles boven het dek blijft vertrouwd: dezelfde mast, dezelfde giek, hetzelfde zeil, en je staat zoals je altijd staat. Onder het dek verandert alles. Boven een bepaalde snelheid levert de vleugel onder water zo veel lift dat hij board en windsurfer uit het water tilt. Vanaf dat moment ‘vlieg’ je.

Windfoilen zet het windsurfen op zijn kop. De wind is dezelfde en het tuig ook, en toch voelt het als een andere sport.

Met het board los van het water blijft er bijna niets over dat afremt, en dat merk je meteen aan je snelheid. De foil helpt bij sprongen en manoeuvres en maakt het sturen scherper. Aan spierkracht vraagt windfoilen minder dan gewoon windsurfen, en het zeil mag kleiner: tot 2 m² minder oppervlak. Leeftijd en geslacht spelen geen rol. De sport staat voor iedereen open.

Ook korte golfjes doen er op een foil ineens niet meer toe. Een board met een vin beukt door elke rimpel heen, terwijl een foil je boven die onrust uit tilt, zodat je er soepel en stil overheen vliegt. Op de weg terug, tegen de wind in, zie je hetzelfde effect. Met een foil vaar je hoger aan de wind en houd je daarbij je snelheid vast, waardoor het stuk terug naar je startplek niet langer het zwaarste deel van je dag op het water is.

De discipline is snel volwassen geworden. Windfoilen begon als een experiment van een kleine groep windsurfers die het met weinig wind moesten doen. Nu staat het aan de top van de sport. Op de Olympische Spelen van Parijs in 2024 was foilen de olympische vorm van het windsurfen, met de iQFOiL als klasse.

De voordelen en nadelen van een windfoil:

Vliegt vanaf 8-10 knopen

Gemaakt voor meren en baaien met weinig wind

Minder lichamelijke inspanning

Vergeleken met gewoon windsurfen

Een kleiner zeil volstaat

Tot 2 m² minder oppervlak

Voor iedereen

Je leeftijd en je geslacht doen er niet toe

Eerst windsurfen

Pas daarna leer je foilen

Scherpe foil, voorzichtig vallen

Houd je handen aan de giek als je valt

Lastiger te vervoeren

De foil maakt je uitrusting zwaarder en groter

Evenwicht vraagt oefening

Vliegen leer je apart

Onder water werkt een windfoil als een vliegtuig

Vier onderdelen hangen er onder het board. De mast loopt verticaal naar beneden en verbindt het board met alles wat eronder zit. Onderaan ligt, horizontaal, de fuselage, met aan de voorkant de voorvleugel. Die heet in de catalogi ‘front wing’ en levert bijna alle lift. Achteraan volgt een kleinere vleugel, de achtervleugel of stabilizer. Net als de staart van een vliegtuig houdt die het geheel in bedwang, zodat de neus niet ongecontroleerd omhoog schiet of wegduikt.

Water is ongeveer 800 keer zo dicht als lucht. Een vleugel onder water kan daardoor zo veel kleiner zijn dan die van een vliegtuig en toch een volwassene dragen. Zodra het board versnelt, stroomt er water over de gebogen voorvleugel en ontstaat er lift. Overtreft die lift het gewicht van windsurfer, board en tuig samen, dan verlaat de romp het water. Alleen de foil en zijn mast blijven eronder. De weerstand valt weg, want het board duwt geen boeggolf meer voor zich uit. Dezelfde wind levert ineens veel meer snelheid op.

Een vlieghoogte stel je niet één keer in. Die houd je vast, seconde na seconde, met je voeten. Met meer druk op de voorste voet duw je de neus omlaag en kom je dichter bij het water. Haal je die druk weg en zet je meer gewicht op de achterste voet, dan stijgt de foil. Klim niet te ver door. Zodra de voorvleugel boven water komt, is de lift in één klap weg en volgt de klassieke val: board en windsurfer gaan zijwaarts het water in. De eerste keren leer je als beginner vooral waar dat smalle vliegvenster ligt en hoe je erbinnen blijft.

Het trimmen van het zeil gaat ook anders, omdat de geometrie verandert. Op een board met vin zet je via de mastvoet druk op het board, zodat het vlak blijft en planeert. Op een foil drukt diezelfde kracht de neus tegen het water en komt het board niet los. Meer rechtop staan dus, het tuig een tikje naar loef laten hellen en de foil zelf laten tillen. Forceren helpt niet.

Board, foil en zeil voor windfoilen

Het board. Speciale windfoilboards zijn kort en breed, met een vlakke onderkant. De foilkast is zwaar versterkt, en aan de staart zijn de randen weggesneden, zodat de staart schuin kan staan zonder in het water te haken. Die versterking heeft een reden. Een foil belast de kast als een enorme hefboom, veel zwaarder dan een vin. Wie er een onder een oud board schroeft dat daar nooit voor gebouwd is, zoekt problemen. Een groot freerideboard met een stevige kast van het type Deep Tuttle is voor veel windsurfers het beginpunt. Ruim volume helpt bij weinig wind: zakt de wind even in, dan trek je het zeil nog uit het water en kom je opnieuw op gang.

De foil. Het meest bepalend is de oppervlakte van de voorvleugel. Met een grote vleugel kom je eerder los en vlieg je langzamer, en hij vergeeft meer fouten: precies wat je wilt om te leren, en ook op dagen met heel weinig wind. Een kleine vleugel heeft meer snelheid nodig voordat hij vliegt, gaat veel harder en straft slordige trim meteen af. Veel windfoilers hebben daarom een grote en een kleine vleugel en kiezen aan de hand van de weersverwachting. Voor de mast kies je tussen aluminium en carbon. Aluminium kost minder en is minder kwetsbaar, maar het weegt meer en buigt meer door, waardoor zo’n mast op snelheid vaag en met vertraging reageert. Carbon is stijver en weegt minder, zodat wat je met je voeten doet veel directer doorwerkt in je vlieghoogte.

Het zeil. De zeilen die je al hebt, kun je gewoon gebruiken. Zeilen die voor de foil ontworpen zijn, hebben een stabiel profiel met de bolling ver naar voren, zodat ze gelijkmatig blijven trekken terwijl het board versnelt. Omdat ze over het algemeen licht zijn, werkt het tuig je niet tegen als je je evenwicht zoekt. Wat je op een board met vin zou optuigen, kan op een foil meestal tot 2 m² kleiner, en met een zeil van 5 tot 6 m² kom je al een heel eind. De voetbanden zitten ook anders: verder naar binnen en vaak iets verder naar achteren dan op een slalomboard. De foil stuur je namelijk met je gewicht in balans boven de mast, en niet door het board op zijn kant te zetten.

Ga na of board, foil en kast op elkaar passen voordat je iets aanschaft. Deep Tuttle is bij windfoils de gangbaarste standaard, maar er bestaan ook bevestigingen met een plaat en met een rail. De mastlengte moet bovendien bij je eigen water passen. Een kortere mast maakt leren makkelijker, en starten in ondiep water ook. Een langere mast geeft je meer ruimte boven de golfjes, zodra je je hoogte kunt vasthouden.

Windfoilen leren vanuit het windsurfen

Kun je al windsurfen, dan is de overstap geen grote sprong. De meeste mensen hebben 2 tot 4 uur oefening nodig voordat ze met vertrouwen vliegen. Alles wat je van het windsurfen meebrengt, betaalt zich hier terug: het zeil hanteren, je evenwicht en een oog voor de wind. Zonder die basis begin je beter bij het gewone windsurfen, want de foil bouwt voort op wat je daar leert.

Voor de eerste pogingen mik je op 12 tot 15 knopen wind en een kleiner zeil van 5 tot 6 m². Dat is duidelijk meer wind dan het minimum waarbij een windfoil al vliegt. Bij het leren wil je genoeg trek om op de foil te komen en tegelijk een board dat rustig blijft. Schuif je gewicht naar achteren en de voorvleugel begint het board op te tillen; met je zwaartepunt weer naar voren zakt het rustig terug op het water.

Houd die eerste vluchten met opzet kort. Loskomen, twee of drie seconden vasthouden, neerzetten en opnieuw. Lange, wiebelige vluchten die eindigen met de voorvleugel boven water leren je veel minder dan een dozijn gecontroleerde starts. Ook een beheerste landing is een vaardigheid op zich. Houd het zeil aangetrokken terwijl de romp het water raakt, en je vliegt zo weer verder, in plaats van stil te vallen en helemaal opnieuw te moeten beginnen. Reken de eerste keer op heel wat onbedoelde landingen. Zo leer je het.

Na het rechtuit vliegen komt het deel dat de meeste tijd vraagt. Gijpen en overstag gaan op de foil, zonder het water te raken, is een veel langer project dan die eerste vlucht. Een urental noemen we daar bewust niet: voor de eerste vlucht bestaat een richtgetal, voor de vliegende gijp hebben we er geen. De beweging zelf is niet heftig, want in een bocht blijft de snelheid op de foil laag. Wel moet de vleugel de hele boog door belast blijven, terwijl je voeten en het tuig van kant wisselen. Knip het op in stukken. Eerst carve je met de romp op het water, dan houd je de vlucht vast bij het inzetten van de gijp, en pas daarna ook bij het uitkomen.

Kies je water met zorg zolang je nog leert. Onder de foil wil je diepte, en in de regel betekent dat starten in water dat minstens tot je middel reikt, ruim weg van zandbanken, waterplanten en meerboeien. Houd zwemmers en andere windsurfers op ruime afstand. Van ver zie je een foil onder het oppervlak bijna niet. Onze uitleg over efoilregels gaat alleen over de efoil; of je met een windfoil op een bepaald water terechtkunt, vraag je ter plekke na.

Windfoilen hoort niet bij de riskante watersporten, maar de bescherming sla je daarom niet over. Zet elke keer een helm op en trek een drijfvest en een wetsuit aan. Bij een val houd je je handen tegen je lichaam en grijp je nooit naar de foil, want de vleugels zijn scherp genoeg voor ernstig letsel. Begin met een korte mast: dan vlieg je lager en blijft het board makkelijker onder controle.

Windfoil of wingfoil?

Onder water gebruiken alle foilsporten in grote lijnen hetzelfde materiaal. Ze verschillen vooral in wat de kracht levert. Bij windfoilen komt die uit een stijf windsurftuig dat je met beide handen aan de giek vasthoudt. Daarin zit het sterke punt van de sport, en ook de prijs die je ervoor betaalt. Je stuurt direct en vaart uitstekend hoog aan de wind, maar geen andere foilsport vraagt zo veel sjouwen en optuigen.

Bij wingfoilen neemt een opblaasbare wing, die je los in je handen houdt, de plaats van het hele tuig in. Zo’n wing past in een kleinere tas, je hebt geen mastrail nodig en je staat sneller op het water. Daar staat tegenover dat een wing doorgaans meer wind vraagt om op gang te komen. Op een meer waar het zelden hard waait, is dat het verschil dat telt. Wie vooral licht wil reizen, zit met een wing goed. Heb je al een windsurftuig, dan gebruik je dat bij het windfoilen gewoon verder.

Bij kitefoilen trekt een kite hoog boven je hoofd. Daarmee heb je het grootste windbereik van alle foilsporten, maar er komt meer bij kijken: lijnen, een plek om de kite op te laten en de veiligheidsroutine die daarbij hoort.

Dan zijn er de sporten die zonder wind werken. Surffoilen haalt zijn energie uit de deining, supfoilen uit een peddel en je eigen benen. Beide hangen daardoor veel sterker af van de omstandigheden en van je conditie. Aan de andere kant staat de efoil. Daar levert een elektromotor de stuwkracht en bepaal je de snelheid met een afstandsbediening in je hand, zodat je ook op een spiegelgladde, windstille ochtend kunt foilen, als niets anders gaat.

Voor een windsurfer die op zijn thuiswater vaak te weinig wind heeft, is de windfoil de kortste weg naar het vliegen. Wat je op een gewoon board hebt geleerd, neem je mee, en op dagen met weinig wind blijf je niet langer aan de kant. Wie nog bij nul begint, leest eerst over de basis van de hydrofoil en kiest pas daarna de krachtbron die bij zijn water past.

Veelgestelde vragen

Wat is windfoilen?

Windsurfen met een hydrofoil die onder het board vastgeschroefd zit. Zeil, mast en giek blijven wat ze waren. Maak je genoeg vaart, dan duwt de vleugel onder water jou en je board omhoog, en in plaats van over het water te glijden hang je erboven.

Waarin verschilt een windfoil van een wingfoil?

Het tuig: bij windfoilen een windsurfzeil aan een giek, bij wingfoilen een opblaasbare wing, die doorgaans meer wind vraagt.

Vanaf hoeveel wind kun je windfoilen?

Loskomen lukt vanaf ongeveer 8 tot 10 knopen. Daarom werkt een windfoil zo goed op binnenmeren en in baaien in de luwte, waar het zelden stevig waait. Om te leren kies je beter een dag met 12 tot 15 knopen. Dan trekt het zeil hard genoeg om je op de foil te krijgen, zonder dat het board alle kanten op wil.

Leer je windfoilen pas na het windsurfen?

Ja. Het zeil bedienen, een waterstart of het zeil uit het water trekken en de wind lezen moeten vanzelf gaan voordat er een foil onder komt. Wat je als windsurfer al kunt, neem je allemaal mee, en zo leren geoefende windsurfers het snel.

Hoe lang duurt het om windfoilen te leren?

Met windsurfervaring vlieg je na 2 tot 4 uur oefening meestal met vertrouwen. Rechtdoor vliegen lukt eerst; vliegend gijpen en overstag gaan kost een stuk meer tijd.

Kun je een foil onder je eigen windsurfboard zetten?

Niet altijd. Aan de vinkast trekt een foil met een veel grotere hefboom dan een vin, en een board dat daar niet op gebouwd is, kan het begeven. Veel windsurfers zetten hun eerste foil onder een ruim freerideboard met een stevige Deep Tuttle. Kijk ook na of de mast van je foil in die kast past, want naast Deep Tuttle bestaan er bevestigingen met een plaat of een rail.

Welke zeilmaat gebruik je bij windfoilen?

Om te leren bij matige wind is 5 tot 6 m² een goede zeilmaat. Vergeleken met een board met vin kan het in dezelfde omstandigheden tot 2 m² kleiner, omdat de foil een groot deel van het werk van het zeil overneemt.

Heb je voor windfoilen een speciaal zeil nodig?

Nee, je eigen zeilen werken ook. Foilzeilen zijn meestal licht en trekken gelijkmatig door terwijl je versnelt.

Is windfoilen gevaarlijk?

Het risico is beperkt, maar de foil heeft scherpe randen en zit vlak onder je voeten. Draag een helm, een drijfvest en een wetsuit. Laat je plat vallen, weg van het board, en blijf met je handen van de foil af.