Wingfoiler die met een opblaasbare wing boven het water vliegt

Wingfoil

Boven het water vliegen met een opblaasbare wing

Van wingsurfen naar wingfoilen

In je handen een opgeblazen vleugel, onder je voeten een board: meer heb je bij wingsurfen niet nodig. De wind vult die vleugel, de wing. De hoek waaronder je hem houdt, bepaalt waar je heen gaat en hoe snel je daar bent. Er staat geen mast op het board en er lopen geen lijnen naar een kite.

Wat wingfoilen anders maakt, hangt onder datzelfde board: een hydrofoil. Bij genoeg vaart tilt die het board uit het water, en vanaf dat moment zweef je erboven in plaats van erop te varen. Bijna alle weerstand valt dan weg, en dat merk je meteen aan je snelheid.

Onder het board hangt de foil zelf, en die bestaat uit vier onderdelen. De voorvleugel, in de winkel meestal ‘front wing’ genoemd, maakt de lift. De achtervleugel houdt die lift stabiel en de fuselage bepaalt de afstand tussen de twee. De lengte van de mast legt vast hoe hoog je boven het water vliegt. Eén ander onderdeel, en de hele set voelt anders. Daarom vervangen ervaren wingfoilers liever één onderdeel tegelijk dan meteen alles. Een grote voorvleugel komt vroeg los, vliegt langzaam en vergeeft veel, en voor je eerste meters boven het water is dat precies wat je zoekt. Kleine, snelle voorvleugels komen later, en tegen die tijd weet je wat je van zo’n vleugel vraagt.

Over de naam bestaat wat verwarring. Een deel van de foilers in Nederland en Vlaanderen zegt ‘wingsurfen’ en bedoelt gewoon wingfoilen. Anderen bedoelen er het varen met een wing op een board zonder foil mee, en ook dat bestaat. Met dezelfde wing in je handen blijft het board dan in het water liggen, met al zijn weerstand, en kom je minder snel vooruit.

Wind en vlak water

Als beginner heb je minstens 20 knopen wind nodig om te wingfoilen. Een geoefende foiler redt het vanaf 16. Dat verschil van vier knopen zit in wat je zelf al kunt. Wie de foil al beheerst, heeft minder trekkracht van de wing nodig om los te komen. Een beginner moet alles uit de wind halen, en juist daarvoor zijn die extra knopen nodig.

Minstens zo zwaar weegt hoe constant de wind waait. Een paar tellen zonder wind is genoeg: de wing verliest zijn trekkracht, het board zakt terug in het water en alles ligt stil. Een dag met vlagen en gaten in de wind is voor een beginner daardoor lastig, ook als het gemiddelde hoog genoeg lijkt.

Voor je eerste pogingen zoek je vlak water zonder golven. Met korte, onrustige golfjes moet je tegelijk je evenwicht bewaren en de wing sturen, en dat maakt iets wat al lastig is onnodig moeilijk. Een beschut meer met een stevige, constante wind is een betere leerplek dan open water met mooie golven. Deining bewaar je voor later: zodra die toeneemt, wordt wingfoilen een stuk zwaarder om te leren.

Wingfoilen leren gaat sneller met foilervaring

Windsurfers hebben een voorsprong. Een wing stuur je volgens grotendeels dezelfde principes als een zeil, dus de wind lezen en de juiste hoek vinden kennen ze al. Wat overblijft, is de foil, en die leren ze net als iedereen: op vlak water, met een groot board en een grote voorvleugel.

Heb je al eens zonder wing gefoild, dan gaat wingfoilen je een stuk makkelijker af. Het vliegen op de foil vraagt de meeste oefening, en dat leer je sneller als je handen niet ook nog een wing moeten sturen. Een paar keer surffoilen of supfoilen is daarom een goede voorbereiding, net als een tijd op een efoil.

Op een efoil oefen je het loskomen zonder wind en zonder golven. Een elektromotor levert de vaart, en met de afstandsbediening in je hand bepaal je hoeveel. Na een val klim je terug op het board en geef je weer gas. Door die motor valt een efoil op sommige wateren onder andere regels dan een wing. Waar je mag efoilen en wat je daarvoor nodig hebt, zoekt een aparte uitleg uit. Instappen in wingfoilen kost overigens flink minder dan een efoil, op één voorwaarde: er moet wind staan.

Tussen wing en efoil in zit de foilassist, een elektrische hulpmotor voor een foilset die je al hebt. Het systeem zelf is klein. Op de mast of in het board zit een motor, en verder heb je een accu van een paar honderd wattuur en een afstandsbediening. Vooral bij de start doet de motor het werk. Vlieg je eenmaal, dan neem je het met glijden en pompen zelf over, en veel foilers raken het gas daarna niet meer aan. Ook op een dag zonder wind gaan board en foil zo het water op. Omdat het hele systeem veel minder weegt dan de accu en de motor van een efoil, blijft het board wendbaar en licht, zoals een gewone surffoil. Vooral op een golf en tijdens het pompen merk je dat, want een efoil met al dat extra gewicht komt daar niet bij in de buurt.

Volgens het Australische Foil Drive, dat de foilassist bedacht, levert het systeem een korte stoot stuwkracht, waarna je verder glijdt. Een vliegtijd per acculading noemt het merk voor de Assist MAX niet. Dat bepalen volgens de productpagina je gewicht, de foil, de omstandigheden en je rijstijl samen.

Draag vanaf de eerste keer bescherming: een helm, een drijfvest of impactvest en neopreen schoenen. De foil heeft scherpe randen en bij een val kun je je eraan bezeren. Tijdens het leren belanden jij, het board en de foil vaker dan je lief is op hetzelfde stukje water.

De maat van wing en board is de keuze waarin beginners zich het meest vergissen. Laat je daarbij helpen door een winkel die eerst vraagt naar je gewicht, naar de wind waar je vaart en naar de boardsporten die je al doet. Een les of twee bij een wingfoilschool komt eerst, de eigen aankoop daarna. De meeste scholen leveren het materiaal voor hun lessen, zodat je weet wat een wing en een groot board doen tegen de tijd dat je er zelf een uitzoekt. Op demodagen van winkels en merken kun je dat ook uitproberen. Sommige scholen laten beginners vanaf een boot op open water starten.

Zo kies je wing en board

Een wing weegt zo weinig dat je hem onder één arm naar het water draagt, en er komen geen tuig en geen lijnen aan te pas. Op het water zet je de wing steeds anders, naar waar de wind vandaan komt en waar je heen wilt.

De maat die je het vaakst ziet, ligt rond de 4 m². In zijn eigen leergids raadt Ensis lichtere foilers die maat aan als eerste wing, en zwaardere foilers een grotere. Omdat de wing je trekkracht levert, hangt de juiste maat af van de wind en van je gewicht. Bij harde wind neem je een kleinere wing, bij weinig wind een grotere, en zo hebben de meeste wingfoilers na een tijd meer dan één wing. Begin met één en koop de tweede pas als je merkt bij welke wind de eerste tekortschiet.

Aan elke wing hoort een polsleash, zodat hij niet wegdrijft als je valt. Het board krijgt een eigen leash om je enkel. Met een pomp en een tas erbij is de basis compleet. Een complete set van de fabrikant bevat dat allemaal, samen met wing, board en foil, en daar zit het grootste voordeel van zo’n set: op de eerste ochtend ontbreekt er niets. Een trapeze heb je pas op gevorderd niveau nodig.

Bij het board houd je je als beginner aan één regel: neem het grootste board dat je kunt krijgen. Het ligt rustiger op het water en opstaan gaat een stuk makkelijker. Zolang je nog niet vliegt, draagt alleen het board je. Bij een start vanaf de kant helpt niets zo veel als een board dat onder je blijft liggen terwijl je je voeten neerzet, de wing vastpakt en op een vlaag wacht. Veel volume houdt je beter drijvend, zodat je aandacht naar de wing kan in plaats van naar je evenwicht. Wie op een klein board begint, is de eerste keren vooral aan het zwemmen.

Hoe groot dat grootste board moet zijn, daarover lopen de adviezen van de fabrikanten uiteen. F-One en Duotone koppelen het volume allebei aan je lichaamsgewicht, maar met een andere marge. Wie de ondergrens van Duotone aanhoudt, zit aan de zuinige kant; de vuistregel van F-One laat je volume over. Hun rekenregels werkt de uitleg over de wingfoilset uit, samen met de maten van de foil en wat een complete set kost. Geen van die vuistregels is een natuurwet, maar met een eerste board volgens een van beide wordt het begin een stuk minder frustrerend. Beide merken houden hun beginnersboards in elk geval groot.

Voor de foil geldt hetzelfde als voor het board: groot vergeeft. F-One wijst er bovendien op dat een kortere mast je valpartijen zachter maakt. Reserveschroeven voor de foil en de passende inbussleutels horen in je tas, want verlies je op het strand een schroef, dan zit je dag op het water er vroeg op.

Voor een reis met eigen materiaal meet je board en mast op voordat je iets boekt. Een wing vouw je klein op, een board nooit. Uit die eerste set groei je vanzelf: een groot board en een grote voorvleugel zijn er om je aan het vliegen te krijgen, en juist dat materiaal zoekt de volgende beginner tweedehands. Een verstandige eerste aankoop houdt zijn waarde daardoor beter dan materiaal waar je nog niet aan toe bent. Het werkt ook andersom: omdat wingfoilers van maat wisselen naarmate ze beter worden, is er tweedehands veel te vinden.

Wat pleit voor wingfoilen en wat ertegen

Met meer foilervaring worden sommige nadelen kleiner, omdat je dan met minder wind loskomt. Aan het weer verandert oefening weinig.

Geen tuig, geen lijnen

Oppompen en het water op

Licht materiaal

De wing weegt bijna niets

Genoeg aan matige wind

Te doen vanaf ongeveer 16 knopen

Makkelijk mee te nemen

Klein opgevouwen, overal mee naartoe

Foilervaring nodig

Eerst leren foilen betaalt zich terug

Vraagt constante wind

Valt de wind weg, dan gebeurt er niets

Moeilijker in golven

Een stuk zwaarder zodra er deining staat

Weinig wind, geen vlucht

Minstens 16 knopen nodig

Veelgestelde vragen

Is wingfoilen moeilijk om te leren?

Zonder foilervaring wel, want dan leer je twee dingen tegelijk: een wing hanteren en in balans boven het water blijven. Wie al op een efoil, een surffoil of een supfoil heeft gestaan, heeft voor dat tweede deel een flinke voorsprong en kan zich meer op de wing richten. Windsurfers pakken het ook sneller op, omdat een wing zich grotendeels als een zeil laat sturen. Golven en wind met gaten maken het voor iedereen zwaarder.

Wat is het verschil tussen wingsurfen en wingfoilen?

De foil. Bij wingfoilen tilt een hydrofoil het board boven het water, bij wingsurfen blijft het erop.

Kun je wingsurfen zonder foil?

Ja. Dezelfde wing trekt je dan over het water in plaats van erboven, alleen langzamer.

Moet je eerst kunnen foilen voordat je gaat wingfoilen?

Nee, maar het scheelt zo veel dat foilervaring bij de nadelen staat. Met die ervaring kom je ook bij minder wind los.

Waar kun je wingfoilen leren?

Bij een wingfoilschool. Daar is het materiaal meestal bij de les inbegrepen, dus je koopt pas iets als je weet welke maten bij je passen.

Welke bescherming heb je nodig bij wingfoilen?

Een helm, neopreen schoenen en een drijfvest of impactvest. Bij een val kunnen de scherpe randen van de foil je verwonden.

Materiaal en andere foilsporten