Regels voor efoils

Vaarbewijs of stuurbrevet, registratie, verzekering en de wateren waar je mag varen, voor Nederland en voor Vlaanderen, met bij elke regel de tekst die hem stelt

Deze pagina is geen juridisch advies. We hebben de wetten, reglementen en verordeningen zelf gelezen en noemen bij elke regel de tekst en het artikel, met een link naar de officiële bron. Waar geen tekst iets letterlijk zegt en we toch een conclusie trekken, staat erbij dat het onze lezing is. Gemeenten, provincies en waterbeheerders kunnen voor hun eigen water strengere regels maken. Onderaan staan alle bronnen, met de dag waarop we ze lazen.

Laatst bijgewerkt op

Vaarbewijs of stuurbrevet

Nederland: wat het board kan halen

Twintig kilometer per uur is in Nederland de grens waar alles om draait. Een efoil die harder kan, is zoals wij de regels lezen een snelle motorboot, en wie zo’n board bestuurt, moet dan een klein vaarbewijs hebben. Zo staat het in artikel 16, eerste lid, onder d, van het Binnenvaartbesluit. Dat artikel eist het vaarbewijs voor schepen korter dan 15 meter die met hun eigen motor meer dan 20 km/u “kunnen bereiken”. Haalt het board die snelheid niet, dan valt het buiten dat artikel.

Het woord efoil komt in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) niet voor. Toch valt een efoil er naar onze lezing onder. Het BPR noemt elk vaartuig dat als vervoermiddel op het water kan dienen een schip, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing (artikel 1.01, A, onder 1°). Met een elektromotor wordt het een motorschip, en omdat het korter is dan 20 meter een klein schip. Onder 17° volgt de definitie die telt: een snelle motorboot is een klein schip dat “sneller dan 20 km per uur ten opzichte van het water kan varen”.

Het woord ‘kan’ is beslissend. De toets gaat over wat het board technisch haalt en niet over de snelheid waarmee jij op een bepaald moment vaart. Rijkswaterstaat schrijft in zijn uitleg over snelvaren hetzelfde: de regels voor snelvaren gelden voor alle schepen “die korter zijn dan 20 m en harder kunnen varen dan 20 km/h”. Wij concluderen daarom dat een board dat 25 km/u haalt een snelle motorboot blijft, ook als je er rustig mee rondtoert.

De RDW, de dienst die snelle motorboten registreert, noemt de efoil wel bij naam. Op haar registratiepagina staat: “Een surfplank met motor noemen we ook wel een e-foil, jetsurf of jetboard. Gaat deze harder dan 20 km/u? Dan moet u deze registreren.” Die vraag is losser geformuleerd dan de wet, want ze gaat over hoe hard het board gaat en niet over wat het kan. De RDW vraagt eigenaars van een efoil om eerst contact op te nemen.

Varen doe je Samen, de landelijke campagne voor veilig varen waaraan onder meer Rijkswaterstaat en de provincies als vaarwegbeheerders meedoen, heeft een eigen uitleg voor efoilers. Volgens die uitleg halen sommige efoils “snelheden tot wel 30 kilometer per uur” en gelden ze dan als snelle motorboot. Voor een board dat harder kan dan 20 km/u somt de campagne vijf plichten op: een vaarbewijs, een minimumleeftijd van 18, registratie, snel varen alleen in snelvaargebieden en een reddingsvest dragen. Over een board dat “begrensd is op 20 km/uur” schrijft ze dat er minder regels gelden, “kortweg dezelfde als voor een ‘gewoon motorschip’”. Dat is de opvatting van een campagne en geen wettekst.

Precies op dat punt lopen de verhalen uiteen. Verschillende scholen en verhuurders schrijven op hun site dat je geen vaarbewijs nodig hebt, omdat hun boards op 20 km/u zijn ingesteld. De wetteksten gaan uit van wat een board kan varen. Of een begrenzing door de fabrikant of in de software daarvoor meetelt, staat in geen van de teksten die we lazen. Een aanbieder noemde als grond een aparte regeling voor pleziervaartuigen, maar die kwamen we in de officiële teksten niet tegen. Een andere school schreef dat het vaarbewijs “sinds kort” verplicht is; een recente wijziging van deze regel vonden we evenmin. Wie zekerheid wil over een begrensd board, legt de vraag schriftelijk voor aan de RDW.

De Wet pleziervaartuigen 2016 zondert surfplanken en draagvleugelboten wel uit van de voorschriften voor ontwerp en bouw (artikel 2, eerste lid, onder a). Draagvleugelboten en hun motoren vallen ook buiten de voorschriften voor uitlaatemissies en geluid (onder b en c). Die wet gaat over de CE-markering bij bouw en verkoop. Over waar en hoe je mag varen zegt ze niets, en een vrijstelling van het vaarbewijs geeft ze naar onze lezing niet. Kijk bij het kopen van een efoil daarom eerst naar de topsnelheid die de fabrikant opgeeft, want in Nederland hangen vaarbewijs, registratie en leeftijd ervan af.

Klein vaarbewijs I of II

Er zijn twee soorten klein vaarbewijs. De Binnenvaartregeling noemt ze klein vaarbewijs I, voor rivieren, kanalen en meren, en klein vaarbewijs II, voor alle binnenwateren (artikel 1.1). Deel II heb je nodig op de wateren van maritieme aard (Binnenvaartbesluit, artikel 16, derde en vierde lid), die artikel 7.11b, tweede lid, van de Binnenvaartregeling opsomt. Dat zijn de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer. De Gouwzee hoort er uitdrukkelijk niet bij, dus daar volstaat deel I, ook in het snelvaargebied dat er ligt.

Een vaarbewijs krijg je pas vanaf 18 jaar, want de Binnenvaartwet verbiedt het af te geven aan wie die leeftijd nog niet heeft bereikt (artikel 27, eerste lid, onder a). Een schip gebruiken terwijl de gezagvoerder het vereiste vaarbewijs niet heeft, is verboden (artikel 25, vierde lid). Van de plicht vrijgesteld zijn alleen schepen die uitsluitend door spierkracht bewegen, plus twee categorieën die met een board niets te maken hebben (Binnenvaartbesluit, artikel 17, eerste lid).

Nederland erkent een aantal buitenlandse bewijzen (Binnenvaartregeling, artikel 7.11 en bijlage 7.1). Het Belgische algemeen stuurbrevet, het brevet yachtman, het brevet yachtnavigator en het Duitse Sportbootführerschein-See gelden voor alle binnenwateren. Het Belgische beperkt stuurbrevet en het Duitse Sportbootführerschein-Binnen tellen alleen op rivieren, kanalen en meren. Het sportpatent uit het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn geldt als gelijkwaardig aan het klein vaarbewijs (Binnenvaartregeling, artikel 7.11, derde lid).

Neem het vaarbewijs mee als papieren document. Een exemplaar in elektronische vorm was aan boord volgens bijlage 13 van het BPR niet toegestaan op de dag dat we die bijlage lazen. Voor die bijlage ligt wel een wijziging klaar, waarvan de datum van inwerkingtreding nog niet vaststaat.

België: het stuurbrevet en de aandrijving

De Belgische teksten spreken van een vaarbevoegdheidsbewijs. Het koninklijk besluit van 28 juni 2019 betreffende de pleziervaart, verder KB pleziervaart, noemt er vier, waaronder het beperkt en het algemeen stuurbrevet (artikel 4.2, § 1). Het beperkt stuurbrevet geldt in de zones 0 en 1, het algemeen in de zones 0 tot en met 4. Zone 1 omvat alle met de zee verbonden binnenwateren behalve de Beneden-Zeeschelde, zone 4 de zee vanaf het strand tot 6 zeemijl (artikel 1.3).

Het Belgisch Scheepvaartwetboek eist zo’n bewijs van iedereen die een pleziervaartuig bestuurt (artikel 5.2.2.4, § 1). Het KB pleziervaart maakt er een ruime uitzondering op. In de zones 1 en 2, en sinds 1 januari 2022 ook in de zones 3 tot en met 7, is geen brevet nodig (artikel 4.1). Die vrijstelling vervalt als het vaartuig een bedrijfsmatig doel dient, een romp langer dan 15 meter heeft of “door motor voortbewogen, sneller dan 20 kilometer per uur kan varen”. Ook deze toets gaat over wat het vaartuig kan.

Of die regels ook voor een efoil gelden, is een tweede vraag. Boek 5 van het Scheepvaartwetboek geldt voor pleziervaartuigen vanaf 2,5 meter en voor waterscooters (artikel 5.1.1.2, § 1). Tuigen voor brandingsporten “zoals kites, windsurftuigen en surfplanken” vallen er uitdrukkelijk buiten, met uitzondering van waterscooters (§ 2). Een waterscooter is volgens het wetboek een vaartuig met een romp korter dan 4 meter dat “een voortstuwingsmotor met een waterstraalpomp als primaire voortstuwingsbron gebruikt” (artikel 5.1.1.1, 1°). Het binnenvaartreglement APSB omschrijft hem op dezelfde manier (artikel 1.01, d5).

Wij lezen dat zo. Een efoil met propeller, het gangbare ontwerp, is geen waterscooter. Omdat het board ruim korter is dan 2,5 meter, valt de efoil buiten de registratie en buiten de regels voor het stuurbrevet. Een elektrisch board met jetaandrijving, korter dan 4 meter en bestuurd vanaf de romp, is wel een waterscooter. Voor dat board, bijvoorbeeld een elektrische surfplank met waterstraalpomp, geldt Boek 5 volledig, met registratie en een brevet, omdat het harder kan dan 20 km/u. Geen Belgische wettekst noemt de efoil bij naam, en een officiële bron die het met zoveel woorden zegt, konden we niet lezen.

Voor leerlingen maakt de aandrijving niet uit: wie les volgt onder toezicht van een lesgever, hoeft geen brevet te hebben (KB pleziervaart, artikel 4.1, § 4). Een begrenzer in de software verandert weinig, denken wij. Bij een propellerboard speelt de snelheidsgrens geen rol, en voor een jetboard zegt geen tekst die we lazen hoe een begrenzer meetelt. Een brevet verloopt overigens niet, want de vaarbevoegdheidsbewijzen zijn “onbeperkt geldig in tijd” (artikel 4.4).

Efoiler in wetsuit met capuchon staat op een board dat boven kalm blauw water vliegt
Wat een board als dit technisch haalt, beslist in Nederland over het vaarbewijs (beeld ter illustratie)

Registratie bij de RDW en inschrijving in België

Een snelle motorboot moet op naam van de eigenaar geregistreerd zijn bij een instantie die de minister aanwijst (BPR, artikel 8.01, eerste lid). Die instantie geeft een registratieteken en een registratiebewijs af. Het gaat om de Dienst Wegverkeer, de RDW (Regeling registratie snelle motorboten 1997, artikel 1). Het teken begint met de letter Y, vandaar het Y-nummer (Beleidsregel registratie snelle motorboten, artikel 2, vierde lid). Registreren kan alleen wie 18 jaar of ouder is, of een rechtspersoon (artikel 4, eerste lid, van dezelfde beleidsregel).

Het teken hoort aan weerszijden van het board, goed zichtbaar en in een kleur die afsteekt tegen de ondergrond. Letters en cijfers zijn minstens 150 mm hoog en 100 mm breed, met een stamdikte (de dikte van de lijnen) van minstens 20 mm (BPR, artikel 8.02, eerste lid). Kan een vaartuig door zijn constructie die maten niet dragen, dan mag het kleiner: 100 mm, 60 mm en 15 mm (tweede lid). Op een board past die kleinere maat volgens ons het best.

Zonder registratieteken mag een snelle motorboot niet aan de scheepvaart deelnemen (artikel 8.02, eerste lid). Tijdens het varen moet het registratiebewijs aan boord zijn (artikel 8.01, tweede lid). De eigenaar of houder is mede verantwoordelijk voor registratie, teken en uitrusting (artikel 8.04). Voor de eerste registratie rekent de RDW een vergoeding; het actuele bedrag staat op haar site.

Registratiebewijzen uit België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk gelden in Nederland alsof de RDW ze had afgegeven (Regeling registratie snelle motorboten 1997, artikel 4, eerste lid). De Rijksoverheid schrijft in haar vraag en antwoord over registratie dat de plicht geldt voor “bijna alle binnenwateren”. Landelijk is registratie niet verplicht op de Eems en de Dollard, de Westerschelde, het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Grensmaas tussen Maastricht en Roosteren. Een plaatselijke verordening kan er volgens dezelfde pagina toch een registratieplicht opleggen.

Een board dat niet sneller kan dan 20 km/u, voldoet niet aan de voorwaarden die de RDW voor registratie noemt en krijgt geen Y-nummer. Dan geldt, zo lezen wij het BPR, de gewone regel voor kleine schepen uit artikel 2.02. Die vraagt de naam van het vaartuig aan de buitenkant, en de naam en woonplaats van de eigenaar op een zichtbare plek. Dat artikel zondert alleen snelle motorboten met een registratieteken uit, naast schepen die door spierkracht bewegen en zeilschepen korter dan 7 meter. Een officiële pagina die deze regel op boards toepast, vonden we niet.

Inschrijving in België

In België moet elk pleziervaartuig dat onder Boek 5 van het Scheepvaartwetboek valt, ingeschreven zijn en een Belgische registratiebrief of een bewijs van inschrijving uit een ander land hebben (artikel 5.2.1.1). Het buitenlandse bewijs volstaat niet als dat land het gebruik ervan tot zijn eigen wateren beperkt. Inschrijven kan onder meer voor vaartuigen vanaf 2,5 meter waarvan de eigenaar of vruchtgebruiker een band met België heeft (artikel 5.2.1.2, § 1, 1°). De aanvraag gaat elektronisch en kost een retributie, en de brief hoort aan boord, tenzij dat volgens de administratie niet praktisch mogelijk is (KB pleziervaart, artikelen 2.2, 2.3 en 2.9).

Voor de inschrijving van een efoil zien wij dezelfde splitsing als bij het stuurbrevet. Zo valt een propellerboard onder 2,5 meter volgens ons buiten Boek 5 en heeft het geen registratiebrief nodig; een jetboard dat een waterscooter is, wel. Het binnenvaartreglement wijst in dezelfde richting, want artikel 2.02 van het APSB stelt “surfplanken, met inbegrip van surfplanken met motor” vrij van de merktekens op de romp.

Op de Vlaamse bevaarbare waterwegen bestaat nog een ander document, de waterwegenvergunning. Die geldt volgens VisuRIS voor gemotoriseerde vaartuigen die “geschikt zijn voor het vervoer van personen” en zonder winstoogmerk varen (grondslag in het Scheepvaartdecreet, artikel 79). Wij rekenen een efoil daartoe. Op onder meer de getijdenwateren en een aantal kanalen is de vergunning niet nodig. Zolang de beheerder efoilen op zijn waterwegen niet algemeen toelaat, speelt die vergunning pas als je een uitzondering krijgt.

Een efoil verzekeren

Een wettelijke plicht om een efoil te verzekeren, hebben we in Nederland en in België niet gevonden. In een tekst die we niet hebben gelezen, kan zo’n plicht wel staan.

De bekendste verzekeringsplicht in Nederland staat in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Die geldt voor rij- en voertuigen die over de grond bewegen (artikel 1), en dus niet voor een board op het water. Een landelijke verzekeringsplicht voor pleziervaartuigen kwamen we in de gelezen wetten niet tegen. Een gemeente kan een verzekering wel als voorwaarde aan een eigen ontheffing verbinden. Het enige voorbeeld dat we zagen, een verordening van Uitgeest voor snelle motorboten uit 1967, laatst gewijzigd in 1994, rekent nog in guldens. De verordening staat nog als geldend vermeld, maar is zo verouderd dat we er geen regel voor een efoil van nu uit afleiden.

In België laat het Scheepvaartwetboek een aansprakelijkheidsverzekering voor pleziervaartuigen over aan de Koning, die ze voor bepaalde categorieën of activiteiten kan opleggen (artikel 5.3.1.2). Een koninklijk besluit dat dat doet, vonden we niet. De verplichte verzekeringen die het wetboek wel op pleziervaartuigen toepast, gelden alleen voor vaartuigen voor bedrijfs- of beroepsmatig gebruik (artikel 5.3.2.1). Het KB pleziervaart, het APSB, het kustreglement van 1981, de aanvullende reglementen van De Vlaamse Waterweg en de verordeningen van Oostende en Knokke-Heist bevatten evenmin een verzekeringsplicht. Onze versie van het KB pleziervaart is bijgewerkt tot 13 januari 2026; een besluit dat later verscheen, zit niet in wat we lazen.

Een verzekering tegen aansprakelijkheid is toch verstandig. Vraag je verzekeraar of een efoil onder je polis valt, en lees bij een school of club de voorwaarden, want die kunnen zelf een verzekering vragen. Een Vlaamse kustclub laat niet-leden bijvoorbeeld naast de les op de efoil ook een ongevallenverzekering betalen.

Waar mag je efoilen in Nederland?

In de landelijke teksten staat geen lijst van wateren voor efoils. Het BPR geldt op alle openbare wateren die voor de scheepvaart openstaan (Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, artikel 2, eerste lid). Uitgezonderd zijn de Rijntakken: de Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek. Hetzelfde geldt voor de Westerschelde, het Kanaal van Gent naar Terneuzen, de monding van de Eems, de Gemeenschappelijke Maas en de zee buiten de kustlijn. Toch gelden op de Rijntakken, met hun havens en de recreatiewateren eraan, de definities en de leeftijd van 18 voor snelle motorboten (artikel 2, derde lid). Ook de artikelen 8.01 tot en met 8.08 van het BPR, over registratie, uitrusting en snelheid, gelden daar, net als de artikelen 9.04 en 9.05.

De beheerder van een water maakt er ook de regels. Voor de rijkswateren wijst de minister de bevoegde personen aan (Rijkswaterstaat), voor wateren van een provincie, gemeente of waterschap het bestuur van dat lichaam (Vaststellingsbesluit, artikel 5, eerste lid). Provincies, gemeenten en waterschappen houden hun eigen bevoegdheid om regels te stellen, zolang die niet botsen met de landelijke regels (Scheepvaartverkeerswet, artikel 42). Een provincie, gemeente of waterschap maakt in zijn eigen publicatieblad bekend wie het als bevoegde autoriteit aanwijst (Vaststellingsbesluit, artikel 7). De Friese vaarsnelheden vind je in het Provinciaal blad van Fryslân.

Twintig kilometer per uur en de snelvaargebieden

Voor een snelle motorboot geldt een maximum van 20 km/u ten opzichte van het water (BPR, artikel 8.06, eerste lid). De beheerder kan vaarwegen of delen ervan aanwijzen waar dat verbod niet geldt of waar een andere maximumsnelheid geldt. Rijkswaterstaat vat het samen als een “landelijke maximumsnelheid van 20 km/h, tenzij ter plekke iets anders is aangegeven”.

De gebieden op de rijkswateren waar je overdag harder mag, staan in de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 (artikel 1, eerste lid). Daaronder vallen het IJsselmeer en het Markermeer, behalve de betonde vaargeulen, het gebied aan de landzijde van de aanvullende markering en een strook van 250 m uit de oever. Verder staan er delen van het IJmeer, het Gooimeer, het Veluwemeer en het Ketelmeer in, en het gebied binnen de gele boeien op de Gouwzee. De lijst noemt ook het Grevelingenmeer, het Veerse Meer, het Haringvliet, het Hollandsch Diep en tien betonde vaargeulen in de Waddenzee, soms in hun geheel en soms voor een deel. In 2026 is de regeling twee keer gewijzigd, en wij lazen de versie die sinds 26 augustus 2026 geldt. Rijkswaterstaat verwijst voor een overzicht naar een kaart met snelvaargebieden op de site van Varen doe je Samen; die kaart hebben we niet geopend.

Hard varen mag ook binnen zo’n gebied niet overal. De hogere snelheid geldt niet binnen 20 m van de oever, tenzij anders bepaald, en niet binnen 50 m van een zwem- of aanleginrichting. Ze vervalt ook in de buurt van wedstrijden en evenementen en bij minder dan 500 m zicht. In de havens aan die vaarwegen en binnen 100 m van een havenmond geldt ze evenmin (artikel 1, tweede lid). ’s Nachts mag je volgens deze regeling alleen op de Oude Maas, de Nieuwe Maas, de Nieuwe Waterweg en de Noord harder dan 20 km/u. Daar gelden dan de trajecten en grenzen die artikel 3 noemt.

Borden op het water

De borden uit bijlage 7 van het BPR vertellen ter plekke wat mag. Bord E.21 betekent “Snel varen voor kleine motorschepen toegestaan” en markeert het begin van een snelvaargebied, bord A.18 het einde. A.20 verbiedt waterscooters en E.24 staat ze toe. Twee borden gelden voor elke efoil, hoe snel die ook is: A.12 “Verboden voor motorschepen” en A.13 “Verboden voor kleine schepen”.

Of een snelle efoil als waterscooter telt, is niet beslist. Het BPR noemt een waterscooter een snelle motorboot die “gebouwd of ingericht” is “om door een of meer personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen” (artikel 1.01, A, onder 18°). Varen doe je Samen schrijft dat snel varen met een efoil alleen mag in “snelvaargebieden voor waterscooters”, maar een wettekst die de efoil als waterscooter aanmerkt, vonden we niet. Let daarom op de borden A.20, E.21 en E.24, en vraag de beheerder bij twijfel hoe hij een efoil behandelt.

Strenger op de Loosdrechtse Plassen en de Friese meren

Een board dat onder 20 km/u blijft, kan lokaal nog altijd te snel zijn. Op de Loosdrechtse Plassen geldt het Besluit Motorboten Loosdrechtse Plassen 2023 van de gemeente Wijdemeren. Een motorboot is daarin “ieder vaartuig, dat door mechanische kracht wordt voortbewogen” (artikel 1), en de toelichting noemt de efoil er uitdrukkelijk bij: “ook nieuw op de markt komende producten, zoals een e-foil”. Het is de eerste officiële Nederlandse tekst die we vonden die de efoil in een gebruiksregel noemt.

Voor elke motorboot geldt op de Loosdrechtse Plassen maximaal 12 km/u, en op de Stille Plas 9 km/u (artikel 2). Binnen 100 meter van een oever, steiger, golfbreker of afgemeerd vaartuig is het 6 km/u (artikel 3), en ’s nachts ook (artikel 4). De nacht loopt volgens het besluit “van een half uur na zonsondergang, maar nimmer na 22.00 uur, tot 8.00 uur”. Op de kaart zijn natuurgebieden met een kruisarcering aangegeven: het oostelijke deel van de Vuntus met de Raaisloot en het gebied van de Ster. Daar mag je niet varen met een ingeschakelde motor, en volgens de toelichting geldt dat ook voor een elektrische (artikel 5). Jetski’s, waterscooters “of een soortgelijk apparaat” zijn helemaal verboden (artikel 6); of een efoil als soortgelijk apparaat telt, zegt het besluit niet.

In Fryslân stelt de provincie maximumsnelheden vast voor alle motorschepen op haar wateren (Vaarsnelhedenbesluit Fryslân 2025, artikel 1). Op de meeste meren uit bijlage III is dat 9 km/u en op een paar andere 6 km/u. Voor de betonde vaargeulen door de meren geldt een eigen lijst (artikel 4). Snel varen mag volgens de snelvaarpagina van de provincie alleen binnen de gele boeien van een snelvaargebied. Dat kan tussen zonsopkomst en zonsondergang, van 30 april tot en met 30 september, met een vaartuig van hooguit 1,5 m³ waterverplaatsing. De binnendijkse snelvaargebieden liggen op het Heegermeer, het Tjeukemeer, de Fluessen, het Slotermeer en het Sneekermeer. Met een waterscooter of jetski mag je binnendijks alleen op het Heegermeer snel varen. Of dat ook voor een snelle efoil geldt, is dezelfde open vraag als bij de borden.

Amsterdam, de grote vaarwegen en zwemmers

Voor Amsterdam lazen we de Verordening op het binnenwater 2010 en de Regeling op het binnenwater 2020. Een algemene snelheidsgrens voor wie met een eigen board vaart, staat in geen van beide. Welke snelheid er op de grachten, het IJ of het Nieuwe Meer voor jou geldt, laten we hier open. Wat de stad over verhuur bepaalt, staat bij huren en les nemen.

Op de grote vaarwegen uit bijlage 15 van het BPR, zoals het Noordzeekanaal, het Amsterdam-Rijnkanaal, de Nieuwe Maas en het Prinses Margrietkanaal, gelden extra regels voor kleine schepen (artikel 9.04). Je hebt er een motor nodig die direct klaar is voor gebruik en waarmee je minstens 6 km/u kunt aanhouden. Houd daarbij zo veel mogelijk de stuurboordkant van het vaarwater aan, behalve op de Waal, de Boven-Rijn, de Geldersche IJssel, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, waar die plicht niet geldt. Blijf er ook uit de buurt van de beroepsvaart.

Het BPR verbiedt zwemmen en watersport zonder schip in snelvaar- en waterskigebieden en in vaargeulen voor de doorgaande scheepvaart (artikel 8.08, tweede lid). Hetzelfde geldt voor routes van veerponten, voor havens en hun ingangen en voor de buurt van ligplaatsen. Een vaste afstand tot zwemmers op een strand of bij een meer staat niet in het BPR, want badzones stellen provincies en gemeenten zelf in, met borden ter plaatse. Artikel 8.06, tweede lid, verbiedt te waterskiën “of op soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik te maken”. Wij lezen dat als een regel voor wie zich laat slepen, en niet voor een efoil die op eigen kracht vaart.

De Nederlandse kust en de Waddenzee

Aan zee lopen de regels anders. De kustlijn uit het Vaststellingsbesluit loopt langs de noordkant van de Waddeneilanden en langs de kust van Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland (artikel 2, tweede lid). Zo gelezen ligt de Waddenzee daarbinnen en valt ze onder het BPR, terwijl de open Noordzee voor de stranden erbuiten ligt. Daar geldt het Scheepvaartreglement territoriale zee, naast de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (artikel 1). Dat reglement kent geen eigen regels voor snelle motorboten, waterscooters of een grens van 20 km/u. In de zeestrook die bij een gemeente hoort, geldt het grotendeels niet.

Het vaarbewijs hangt aan dezelfde grens. De plicht staat in de Binnenvaartwet, die over binnenwateren gaat: de wateren binnen een lijn langs de kust die de Binnenvaartregeling vastlegt (Binnenvaartwet, artikel 1; Binnenvaartregeling, artikel 1.2). Die lijn volgt dezelfde loop als de kustlijn van het BPR, met de havenhoofden van Cadzand-Bad erbij. Daaruit leiden wij af dat de landelijke vaarbewijsplicht voor binnenwater geschreven is en dat de Noordzee voor het strand daarbuiten ligt. Aan het strand beslist de gemeente met haar eigen regels, en Zandvoort haalt de artikelen 8.01 tot en met 8.05 van het BPR zelfs naar zijn eigen zeestrook.

Voor het deel van de territoriale zee dat binnen een gemeente ligt, is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag (Scheepvaartverkeerswet, artikel 2, tweede lid). Een uitzondering zijn stukken die de minister voor de doorgaande scheepvaart heeft aangewezen, en militaire oefengebieden die de minister van Defensie heeft aangewezen. Elke kustgemeente regelt het strand op haar eigen manier. Wij lazen de regels van vier gemeenten; wat de andere toestaan of verbieden, hebben we niet uitgezocht.

Zandvoort

De APV van Zandvoort (de algemene plaatselijke verordening van de gemeente) verbiedt “in zee met een vaartuig te varen minder dan 300 meter uit de laagwaterlijn”, behalve om aan te landen of af te varen (artikel 5:41, eerste lid). Voor een vaartuig op het strand, en om ermee af te varen of aan te landen, heb je een vergunning van het college nodig (artikel 5:42, eerste lid). Jetski’s, waterscooters en elk “ander dergelijk door mechanische kracht voortbewogen vaartuig” mogen niet op het strand komen en niet in zee binnen 1000 meter uit de kust (derde lid). Of een efoil daaronder valt, laat de APV open. Is je board een snelle motorboot, dan gelden in de zeestrook van Zandvoort ook de artikelen 8.01 tot en met 8.05 van het BPR (vijfde lid). Dat zijn de regels voor registratie, registratieteken en uitrusting, en de plichten van de bestuurder, onder meer het reddingsvest voor wie staande stuurt.

Het strandbeleid van Zandvoort uit 2021 rekent ‘foilen’ tot het snelverkeer, naast windsurfen en kiten, en houdt snelle watersporters in de zwemzones minstens 150 meter uit de kust. Of daar ook boards met een motor onder vallen, zegt het document niet. De zonering geldt volgens hetzelfde document voor de “zomerperiode (15 april tot 1 oktober)”.

Den Haag, Westland en de Brouwersdam

Op het Haagse strand verbiedt de APV van Den Haag om een vaartuig te hebben of te brengen. Tussen de strandhoofden mag je met een vaartuig ook niet in zee zijn. Tot 1000 meter uit de laagwaterlijn zijn daarnaast waterskiën, een waterscooter gebruiken en parasailen verboden (artikel 5:41, eerste lid). Het uitvoeringsbesluit bij dat artikel laat tussen de strandhoofden alleen windsurfplanken, surfplanken en kiteboards zonder motor toe, en kano’s. Een board met motor staat daar niet bij. Zolang dat besluit zo luidt, kan een efoil er naar onze lezing alleen komen met een individuele ontheffing van het college (artikel 5:41, derde lid).

In Westland zeggen de Nadere Regels Noordzeestrand Westland 2024 het zo: “Het is in de periode van 1 mei tot 1 oktober toegestaan voor 10.00 uur en na 19.00 uur binnen een afstand van 150 meter van de waterlijn met een vaartuig te zijn of te bewegen.” Bij twee activiteitenstranden, ten zuiden van strandopgang Ter Heijde en ten noorden van strandopgang Vlugtenburg, mogen gemotoriseerde vaartuigen wel binnen die 150 meter komen (artikel 3.1, tweede en derde lid). “Extreme sporten, zoals jetskiën en flyboarden” zijn in zee niet toegestaan (artikel 3.2), en of efoilen daaronder valt, staat er niet bij. De zee van Westland reikt volgens dezelfde regels tot 1 kilometer uit de laagwaterlijn (artikel 1).

Aan de zeekant van de Brouwersdam zijn vaartuigen verboden op het strand en in een strook Noordzee van 100 meter vanaf de laagwaterlijn (Aanwijzingsbesluit gebruik stranden Goeree-Overflakkee, artikel 3). Die strook loopt van strandopgang 0 tot de grens met Schouwen-Duiveland. Reddingsvaartuigen mogen er wel in, net als vaartuigen die de kortste weg nemen van en naar de helling in de havenkom aan de zeekant van de dam.

Gesloten gebieden in de Waddenzee

Harder dan 20 km/u mag je in de Waddenzee alleen overdag (Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995, artikel 1, eerste lid, onder b en c). Dat kan alleen in een aangewezen deel van de Texelstroom, ten zuiden van de haven van Oudeschild, en binnen de betonning van tien genoemde vaargeulen. Daaronder vallen de geulen van zee naar Den Helder, Oudeschild en Den Oever, naar Harlingen en naar Lauwersoog. Een snel board heeft er een klein vaarbewijs II nodig. Delen van het wad zijn bovendien een deel van het jaar of het hele jaar dicht.

Het Besluit beperking toegankelijkheid Waddenzee en Noordzeekustzone uit 2006 sluit een reeks zeehondengebieden voor “de periode van 15 mei tot 1 september daaropvolgend” (artikel 3). Daaronder vallen het Mosselgaatje, de Doove Balg, het Simonszand en de Eilanderbalg. Vogelgebieden als de Richel, Griend, Rottumeroog en Rottumerplaat zijn het hele jaar gesloten (hetzelfde besluit). Tijdens een sluiting is elke niet-beroepsmatige activiteit verboden, “inclusief het recreatief bevaren, betreden of droogvallen” (artikel 7). De grenzen staan op de nieuwste hydrografische kaarten van de Waddenzee en zijn waar mogelijk met borden en boeien aangegeven (wijzigingsbesluit van 20 mei 2016). Wetten.overheid.nl vermeldt het besluit van 2006 als geldend. Volgens de Scheepvaartverkeerswet mogen verkeersregels ook dienen om schade aan landschap en natuur rond vaarwegen te voorkomen (artikel 3, tweede lid, onder b).

Twee efoilers vliegen over een groene rivier langs een beboste oever
Wat je op een rivier of kanaal mag, bepaalt de beheerder van dat water (beeld ter illustratie)

Vlaamse kanalen, rivieren en meren

Voor België gelden de federale regels, zoals het Scheepvaartwetboek, het KB pleziervaart en het kustreglement, op alle Belgische wateren die ze noemen. De rest van dit deel gaat over Vlaanderen en de kust, want Waalse regels hebben we niet gelezen, en het Brusselse water behandelen we hier niet.

De beheerder van de bevaarbare waterwegen in Vlaanderen, De Vlaamse Waterweg, noemt efoilen bij naam. In zijn visie op recreatie uit 2022 schrijft de beheerder over watersport “waarbij men aan hoge snelheid op een gemotoriseerde plank staat, zit of ligt (zoals o.a e-foilen, gemotoriseerde surfplank)”. De huidige snelvaartvakken zijn volgens die tekst “niet geschikt om er deze watersport algemeen toe te laten”. Wel staat de beheerder open voor een of meer proefvakken, in overleg met de sector. In de lijst van snelvaartvakken die sinds 22 januari 2026 geldt, vonden we geen vak dat voor efoilen is aangewezen.

Het Vlaamse scheepvaartportaal VisuRIS noemt de Vlaamse waterwegen ook ongeschikt voor recreatie waarbij je je “aan hoge snelheid soms (hoog) boven en/of onder het water” voortbeweegt, zoals flyboarden. Uitzonderingen zijn er alleen voor georganiseerde evenementen. Dat de efoil in die categorie hoort, is onze lezing. Efoilen is op de bevaarbare waterwegen van De Vlaamse Waterweg volgens de beheerder zelf niet algemeen toegelaten. Vraag De Vlaamse Waterweg eerst om toestemming als je er toch wilt varen.

Het reglement zelf laat een smal pad open. Het binnenvaartreglement APSB noemt varen boven 20 km/u “varen met grote snelheid” (artikel 1.01, f8). Dat mag alleen overdag, bij minstens 500 meter zicht en tussen de borden E.21 en A.18 (artikel 6.35/1). Wie in een snelvaartvak met grote snelheid vaart, moet volgens de aanvullende reglementen van De Vlaamse Waterweg een reddingsvest dragen en plaatsnemen op een plek die de fabrikant daarvoor heeft ingericht (artikel 1.23). Hoe dat op een board past waarop je staat, zegt geen tekst. Buiten de snelvaartvakken geldt de limiet die de aanvullende reglementen per waterweg voor pleziervaartuigen vastleggen, en die ligt op de meeste Vlaamse kanalen en rivieren onder 20 km/u. Die reglementen gelden in hun huidige versie sinds 22 januari 2026.

Voor een jetboard dat een waterscooter is, komt daar nog iets bij. Staande waterscooters mogen alleen hard varen in de vakken voor waterscooters (artikel 1.26), die het APSB tussen de borden E.24 en A.20 legt. De sluizen van De Vlaamse Waterweg zijn voor waterscooters verboden, tenzij de beheerder bij uitzondering toegang geeft (artikel 1.11).

Zwemmers kom je op die waterwegen in principe niet tegen. Zwemmen in bevaarbare waterwegen is verboden, behalve bij vergunde evenementen en in vergunde zones, schrijft de beheerder op zijn recreatiepagina, en VisuRIS zegt hetzelfde in zijn uitleg over zwemmen. Het APSB staat zwemmen alleen overdag toe, tussen de borden E.105 en A.105 (artikel 6.37).

Kleine rivieren, natuurreservaten en meren

Op de onbevaarbare waterlopen, de kleinere rivieren en beken buiten het scheepvaartnet, is varen met gemotoriseerde vaartuigen verboden zonder schriftelijke toestemming van de waterbeheerder. Zo staat het in artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021. Met die toestemming blijft het verboden om de rust te verstoren, oevers, waterbodem of begroeiing te beschadigen en wilde dieren opzettelijk te storen.

In Vlaamse natuurreservaten zijn individuele sporten, groepssporten en gemotoriseerde voertuigen verboden, tenzij het goedgekeurde beheerplan een ontheffing geeft (Natuurdecreet, artikel 35, § 2). Efoilen valt volgens ons onder dat verbod, en zonder die ontheffing kan het er niet. De Baai van Heist aan de kust is een Vlaams natuurreservaat.

Op meren en recreatiegebieden gelden de regels van de eigenaar of uitbater. Een algemene regel vonden we er niet: het APSB gaat over openbare binnenwateren die voor de scheepvaart bestemd zijn of gebruikt worden (koninklijk besluit van 24 september 2006, artikel 2). Een aanwijzing door de minister van wateren in zone 0, de afgesloten wateren zonder verbinding met de zee, vonden we evenmin. Waar in Vlaanderen scholen lesgeven en onder welke voorwaarden, lees je bij efoil huren.

Aan de Belgische kust

In de versie die sinds 23 januari 2026 geldt, deelt het KB pleziervaart de zee voor de Belgische kust in zones in (artikel 7.1). De kustzone reikt tot een halve zeemijl, de zeezone van daar tot 2 zeemijl. Binnen de kustzone wijst de scheepvaartcontrole insteekzones aan voor brandingsporten, kano’s en kajaks, en zwemzones voor zwemmers. Achter elke zwemzone ligt zeewaarts een veiligheidszone van 50 meter, en opzij liggen bufferzones.

Pleziervaartuigen mogen niet in de zwemzone, de bufferzone of de veiligheidszone komen (artikel 7.3). Brandingsporten, waterscooters, kano’s en kajaks zijn verboden voorbij 2 zeemijl en in de havens van de kust, al mogen waterscooters vanuit een haven zee kiezen (artikel 7.10). Brandingsporten, kano’s en kajaks zijn ook verboden tussen zonsondergang en zonsopgang, tenzij de scheepvaartcontrole een afwijking toestaat. Het kustreglement bepaalt daarnaast dat een vaartuig alleen zee kiest vanaf plaatsen die de scheepvaartcontrole of de bevoegde diensten van het Gewest aanwijzen. Buiten die plaatsen mag geen vaartuig het strand dichter naderen dan 200 meter, behalve bij overmacht (koninklijk besluit van 4 augustus 1981, artikel 39, in de versie die sinds 23 januari 2026 geldt).

Voor brandingsporten vraagt het KB pleziervaart in de insteekzone een isothermisch pak, een wetsuit. Daarbuiten komt er een zwemvest, reddingsvest of impactvest met genoeg drijfvermogen bij, en een middel om noodsignalen te versturen (artikel 7.8, § 1). Waterscooters kiezen alleen vanuit een haven zee en komen niet in insteek-, zwem-, buffer- of veiligheidszones, tenzij de scheepvaartcontrole ze in een insteekzone toelaat. Hun bestuurder draagt altijd een reddingsvest (artikel 7.10).

De gouverneur van West-Vlaanderen kan deze vormen van pleziervaart voor een beperkte tijd langs de hele kust of op bepaalde plaatsen verbieden (artikel 7.5). Groepsactiviteiten in de zones 3, 4 en 5 vraag je minstens drie weken vooraf aan bij de scheepvaartcontrole. Binnen een halve zeemijl volstaat voor veel groepen een melding, maar niet voor gemotoriseerde groepsactiviteiten (artikelen 5.1 en 5.1/1).

Een efoil past niet vanzelf in dit schema. Naar onze lezing zijn er twee mogelijkheden, en ze komen op hetzelfde neer. Als tuig voor brandingsporten, een term die het KB niet omschrijft, begint een efoil alleen in een insteekzone. Als gemotoriseerd vaartuig mag hij alleen zee kiezen op aangewezen plaatsen en verder niet dichter dan 200 meter bij het strand komen. In beide gevallen start je hooguit uit een insteekzone die gemotoriseerde tuigen toelaat, en dat verschilt per gemeente en per club.

Oostende en Knokke-Heist

In Oostende geldt de stedelijke verordening betreffende strand en duinen die op 2 september 2026 is bekendgemaakt (bekendmaking 2026/035). Artikel 033 verbiedt het “volstrekt” om vanaf het strand met “waterscooters, jetski’s en soortgelijke toestellen” in zee te steken. De lijst van watersportactiviteiten in de definities, die niet limitatief is, noemt alleen sporten zonder motor, zoals windsurfen, zeilen, kitesurfen en golfsurfen. Die activiteiten mogen alleen in twee aangewezen stukken strand, bij helder weer, van zonsopgang tot zonsondergang en als er geen rode vlag hangt (artikelen 031 en 027). Daarmee laat Oostende, zoals wij het lezen, geen plek over om met een efoil vanaf het strand te vertrekken.

Knokke-Heist publiceerde op 1 september 2026 een geconsolideerde versie van zijn algemene politieverordening. Watersport mag je daar alleen in de insteekzones beginnen en beëindigen (artikel 128, § 1). Met jetski’s en jetscooters mag je er niet vanaf het strand zee kiezen (artikel 131). In de insteekzones zijn alle tuigen voor brandingsporten toegelaten behalve jetski’s en jetscooters, en pleziervaartuigen met motor tot 6 meter alleen “in de zones waarin deze toegelaten zijn” (artikel 132). De zones zelf staan op een plan dat we niet als tekst konden lezen. De watersporter draagt in de insteekzone een wetsuit en daarbuiten ook een reddingsvest en een middel voor noodsignalen (artikel 130). De Baai van Heist valt buiten het strand van de verordening, en daar geldt het Natuurdecreet.

Elke Belgische kustgemeente heeft een eigen politieverordening voor strand en water, en wij lazen alleen die van Oostende en Knokke-Heist. In Knokke-Heist liggen de insteekzones ter hoogte van de watersportclubs (artikel 129, § 2). Oostende kan het toezicht en de redding in zijn insteekzones schriftelijk aan de clubs overdragen (artikel 027, § 1). Vraag het bij de club van de insteekzone na voordat je met een efoil naar het strand gaat.

Zo oud moet je zijn

In Nederland legt artikel 1.09 van het BPR de minimumleeftijd per soort vaartuig vast. Voor een snelle motorboot, en daarmee voor een efoil die harder kan dan 20 km/u, is dat 18 jaar (eerste lid, onder a). Rijkswaterstaat opent zijn samenvatting van de snelvaarregels ermee: “bent u tenminste achttien jaar”. Een klein motorschip dat geen snelle motorboot is, mag je vanaf 16 jaar sturen (onder b, 2°).

Er bestaat een lagere grens van 12 jaar voor een klein open motorschip korter dan 7 meter waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet boven 13 km/u komt (onder c). Een board dat nooit harder gaat dan 13 km/u, kan in onze lezing onder die regel vallen, maar geen officiële tekst past het begrip ‘open motorschip’ op een board toe. Varen doe je Samen noemt op haar efoilpagina een andere snelheid bij die leeftijdsgrens, en wij houden het getal uit het BPR aan.

De enige uitzondering die artikel 1.09 zelf kent, is een ontheffing van de grens van 18 jaar (tweede lid). Die is er alleen voor het oefenen in verenigingsverband voor wedstrijden met snelle motorboten en voor die wedstrijden zelf. Een vaarbewijs en een registratie bij de RDW zijn er evenmin voor je achttiende.

In België hangen de leeftijden aan het brevet. Een vaarbevoegdheidsbewijs met de vermelding ‘M’, voor motor, krijg je vanaf 16 jaar, als je medisch geschikt bent en voor theorie en praktijk slaagt (KB pleziervaart, artikel 4.6). Op zee en in de kusthavens, de zones 3 tot en met 7, geldt een tweede grens. De bestuurder van een vaartuig dat daar langer is dan 15 meter of op de motor sneller dan 20 km/u kan, moet minstens 18 zijn. Voor een waterscooter is dat 16 jaar (artikel 4.7). Voor boards waarvoor geen brevet nodig is, vonden we in de Belgische vaarteksten geen wettelijke minimumleeftijd. Scholen leggen hun eigen grens vast, en die verschillen onderling.

Huren en les nemen

In de landelijke Nederlandse vaarteksten die we lazen, staat geen regel over verhuur: het BPR, het Binnenvaartbesluit, de Binnenvaartwet, de Binnenvaartregeling en de beleidsregel voor registratie noemen verhuur niet. Voor een gehuurd board dat sneller kan dan 20 km/u moet je 18 zijn en een klein vaarbewijs hebben. Het registratiebewijs van de eigenaar hoort tijdens het varen aan boord (BPR, artikel 8.01, tweede lid). De Binnenvaartwet verbiedt om een schip te gebruiken zonder dat de gezagvoerder het vereiste vaarbewijs heeft (artikel 25, vierde lid). Of dat verbod ook de verhuurder treft, is naar onze lezing niet beslist.

Rijkswaterstaat schrijft dat de schipper iemand anders boven de 18 een snelle motorboot mag laten besturen, als hij kan ingrijpen wanneer dat nodig is. Volgens dezelfde uitleg is dat “in veel gevallen niet mogelijk”, en bij een waterscooter of jetski in elk geval niet.

Amsterdam regelt verhuur wel. Het Amsterdamse binnenwater is al het openbare water buiten de haven en buiten Weesp. Wie daar een vaartuig anders dan gratis ter beschikking stelt, heeft een vergunning nodig (Verordening op het binnenwater 2010, artikel 2.4.1, eerste lid, onder b). Een vaartuig dat de verhuurder zonder eigen bemanning verhuurt, moet technisch begrensd zijn op 7,5 km/u (Regeling op het binnenwater 2020, artikel 2.2.2). Of een efoil die je zonder begeleiding huurt onder die onbemande verhuur valt, hangt naar onze lezing af van wie er tijdens de huurperiode stuurt.

Op de Loosdrechtse Plassen kan het college incidenteel ontheffing geven van de 12 km/u en enkele andere verboden, op het eerste tot en met het vijfde meer (artikel 8, tweede lid). De toelichting noemt demonstraties en evenementen als doel. Een gewone ontheffing van de 12 km/u geldt alleen in het deel dat de kaart met een streeparcering aangeeft (artikel 8, eerste lid). Dat zijn de eerste vier meren en een stuk aan de westkant van het vijfde, en een ontheffing boven 60 km/u is uitgesloten (artikel 9). Bedrijven komen volgens de toelichting in aanmerking als handelaar in motorboten die harder kunnen dan 12 km/u, als motorhersteller, als waterskischool of als zeilschool. Een bedrijf dat efoils verhuurt of lessen op de efoil geeft, is als zodanig geen van die categorieën. Wie een jaarontheffing heeft, moet een vaarbewijs hebben, en bij een controle toon je naast een dagontheffing ook het vaarbewijs.

In België hoeft een leerling die les volgt onder toezicht van een lesgever geen brevet te hebben (KB pleziervaart, artikel 4.1, § 4). Een vaartuig dat in een economische activiteit dienst doet, of dat een verhuurbedrijf heeft laten inschrijven, is voor het Scheepvaartwetboek een pleziervaartuig voor bedrijfs- of beroepsmatig gebruik (artikel 1.1.1.3, § 1, 24°). Zo’n vaartuig heeft een certificaat van deugdelijkheid nodig dat vijf jaar geldig is (artikel 5.2.2.1, § 2). Volgens dezelfde lezing als bij het stuurbrevet gelden die bedrijfsregels niet voor een propellerboard onder 2,5 meter, omdat het buiten Boek 5 valt. Een verhuurd jetboard heeft het certificaat in die lezing wel nodig, en wie het huurt, heeft dan buiten een les een brevet nodig.

Bij efoil huren en lessen staan de Nederlandse en Vlaamse scholen en verhuurders, elk met de eisen die ze zelf stellen. Wat een aanbieder over vaarbewijs, begrenzing of leeftijd schrijft, is zijn eigen uitleg van de regels.

Boetes en straffen

Een overtreding van het BPR, of van de voorwaarden bij een aanwijzing, vergunning of ontheffing op grond daarvan, is een strafbaar feit (Vaststellingsbesluit, artikel 7a). De Scheepvaartverkeerswet stelt daar hechtenis van ten hoogste twee maanden op of een geldboete van de tweede categorie. In de territoriale zee, op de Rotterdamse waterweg, het Noordzeekanaal en de Eems-Dollard is dat een geldboete van de derde categorie (artikel 31, vierde lid). De bedragen per categorie staan in het Wetboek van Strafrecht en veranderen met de indexering; we noemen ze hier niet.

Voor varen zonder vaarbewijs loopt het anders. De Binnenvaartwet kent voor overtredingen van artikel 25, vierde lid, een bestuurlijke boete tot de vierde categorie (artikel 48, eerste en tweede lid). Die boete vervalt als het ontbrekende bewijs een klein vaarbewijs I of II is (vijfde lid). Voor die bewijzen is het een strafbaar feit (artikel 49; Binnenvaartregeling, artikel 7.9b, tweede lid).

De rechter kan de bevoegdheid om te varen voor ten hoogste vijf jaar ontzeggen, en bij herhaling tien (Scheepvaartverkeerswet, artikel 35b). Dat kan als iemand met een snelle motorboot op binnenwater in strijd met de verkeersregels ernstig gevaar veroorzaakt of onder invloed vaart. De politie kan het vaarbewijs ter plekke innemen als door de snelheid ernstig gevaar is ontstaan (artikel 35a).

Voor alcohol gelden de gewone grenzen: meer dan 220 microgram per liter uitgeademde lucht of 0,5 milligram per milliliter bloed is verboden (artikel 27, tweede lid). Een mildere regel geldt voor twee soorten kleine schepen. De ene is korter dan 20 meter en beweegt alleen door spierkracht, de andere is korter dan 5 meter en zeilt of haalt met zijn motor niet meer dan 6 km/u (zesde lid). Een efoil hoort daar niet bij, zo lezen wij het. Varen onder invloed is een misdrijf, met ten hoogste drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de derde categorie (artikel 31, tweede en dertiende lid).

Een lokale ontheffing kun je kwijtraken. Op de Loosdrechtse Plassen kunnen het college en de politie haar intrekken bij overtreding van het besluit, de voorwaarden, de Scheepvaartverkeerswet of het BPR (artikel 10).

Een pleziervaartuig dat in België niet is ingeschreven, kost de eigenaar en wie er op dat moment mee vaart een administratieve geldboete van niveau 2 (Scheepvaartwetboek, artikel 4.1.2.64, § 1). Hetzelfde niveau geldt voor varen zonder het juiste vaarbevoegdheidsbewijs (§ 4). Groepsactiviteiten op zee zonder toelating en overtredingen van de technische eisen vallen onder niveau 3 (§ 3 en § 6). Met een vaartuig voor bedrijfsmatig gebruik verdubbelen de bedragen (§ 8). Op die boetes komen de opdeciemen, de wettelijke verhogingen van strafrechtelijke geldboeten (artikel 4.1.1.1, § 2). Welke instantie een overtreding van het binnenvaartreglement op een Vlaamse waterweg beboet, konden we niet vaststellen.

Aan het strand leggen de gemeenten voor overtredingen van hun eigen verordening een gemeentelijke administratieve sanctie op (Oostende, artikel 055; Knokke-Heist, artikel 5). In Oostende kunnen de bevoegde ambtenaren ook het materiaal in beslag nemen waarmee iemand de verordening overtreedt (artikel 052).

Bronnen en leesdatum

We hebben alle teksten hieronder op 28 september 2026 gelezen, in de versie die toen gold. Bij de Nederlandse wetten en verordeningen staat vanaf wanneer die versie geldt, bij de Belgische geconsolideerde teksten tot welke datum ze zijn bijgewerkt. Voorlichting van de overheid en van de campagne Varen doe je Samen citeren we als wat die instanties schrijven, en niet als wet. Waar we ‘onze lezing’ of ‘volgens ons’ schrijven, of zeggen dat wij iets zo lezen, gaat het om een conclusie die we uit de teksten trekken en die geen tekst zelf zo formuleert.

Landelijke teksten in Nederland

Provincie en gemeenten in Nederland

Voorlichting in Nederland

Federale teksten in België

Vlaanderen en de Belgische kust

Veelgestelde vragen

Heb je een vaarbewijs nodig voor een efoil?

Niet altijd. Op Nederlands binnenwater heb je een klein vaarbewijs nodig als je efoil technisch boven de 20 km/u uitkomt, ook wanneer je zelf langzamer vaart. Onder die grens geldt de plicht niet; of een snelheidsbegrenzer meetelt, laten de wetteksten open. In België vraagt een propellerboard volgens ons geen stuurbrevet.

Moet je een efoil verzekeren?

Nee, niet volgens de wetten die we lazen, in Nederland noch in België. Een aansprakelijkheidsverzekering is toch verstandig.

Waar mag je efoilen in Nederland?

Dat beslist de beheerder van elk water, en die mag strenger zijn dan de landelijke regels. Waar het BPR geldt, mag je alleen in een aangewezen snelvaargebied sneller varen dan 20 km/u, bijvoorbeeld op delen van het IJsselmeer en het Markermeer buiten de betonde geulen. Op de Loosdrechtse Plassen is 12 km/u het maximum voor elke motorboot en op de meeste Friese meren 9 km/u. Aan zee heeft elke gemeente eigen regels, en op het wad zijn zeehonden- en vogelgebieden in bepaalde maanden of het hele jaar gesloten.

Moet je een efoil laten registreren?

In Nederland wel, bij de RDW, als je board de 20 km/u kan overschrijden. Het registratieteken begint met een Y. In België moet volgens onze lezing alleen een jetboard dat als waterscooter telt, ingeschreven zijn; een efoil met propeller niet.

Heb je in België een stuurbrevet nodig voor een efoil?

Voor een gewone efoil met propeller niet, naar onze lezing: het boek over pleziervaart laat surfplanken buiten beschouwing en geldt pas vanaf 2,5 meter. Een board met jetaandrijving zien wij als waterscooter, en daarvoor heb je een brevet nodig zodra het meer dan 20 km/u kan halen of bedrijfsmatig wordt ingezet. Tijdens een les onder toezicht van een instructeur is het nooit nodig.

Mag je in België op kanalen en rivieren efoilen?

In Vlaanderen volgens ons niet zonder toestemming van de beheerder van het water. Waalse regels lazen we niet.

Mag je met een efoil vanaf het strand de zee op?

Niet overal. Nederlandse badplaatsen regelen dat elk op hun eigen manier, en wij lazen alleen de regels van Zandvoort, Den Haag, Westland en Goeree-Overflakkee. Aan de Belgische kust mag een vaartuig alleen zee kiezen op plekken die de scheepvaartcontrole of een bevoegde gewestelijke dienst aanwijst. Met een efoil vertrek je daar volgens ons alleen uit een insteekzone waar gemotoriseerde tuigen mogen.

Vanaf welke leeftijd mag je efoilen?

In Nederland vanaf 18 als je board harder dan 20 km/u kan, anders meestal vanaf 16. In België krijg je het brevet voor een jetboard vanaf 16, en voor een efoil met propeller vonden we geen wettelijke minimumleeftijd.

Lees ook